Lopon2

Doctoraat Iris Vansteelandt

Vereniging

.

“Laten we met z’n allen het leesvuur aansteken en het vooral ook zo lang mogelijk warm houden.” (Iris Vansteelandt, vrijdag 29 september 2020, Het Pand – Gent)

Vansteelandt, Iris. Beginning Teachers’ Reading Attitude and Motivation : A Study into the Evolution from Teacher Training to Entrance in the Teaching Profession and into the Impact of a Teacher Professionalization Program. Universiteit Gent. Faculteit Psychologie en Pedagogische wetenschappen, 2020.
Je kunt de dissertatie hier downloaden

Op 29 september promoveerde Iris Vansteelandt (bestuurslid LOPON2) op basis van haar doctoraatsproefschrift over haar onderzoek naar de leesattitude en leesmotivatie van beginnende leraren.
We willen haar feliciteren met haar bijzonder waardevolle onderzoek waaraan ze lang en grondig werkte onder begeleiding van prof. Hilde Van Keer en in samenwerking met de onderzoeksgroep ‘Taal, Leren en Innoveren’ van de UGent. Iris focuste enerzijds op de evolutie van de leesattitude van leraren in opleiding en anderzijds op de impact van een professionaliseringsprogramma bij beginnende leraren dat zich richt op het promoten van leesmotivatie.


Opzet onderzoek
Lezen is een multidimensionale vaardigheid waarbij naast leesgedrag zowel cognitieve als affectieve aspecten een belangrijke rol spelen. Het gaat enerzijds om wat, hoe vaak en hoelang je leest. Anderzijds moet ook gekeken worden naar hoe vloeiend je kan lezen, welke leesstrategieën je inzet en, om echt te begrijpen wat er staat, hoe gemotiveerd je bent om te lezen. Volgens Vansteelandt is het dan ook een grote en belangrijke uitdaging voor alle betrokkenen om via sterk leesonderwijs deze componenten als puzzelstukken in elkaar te doen klikken.
In haar proefschrift neemt ze voornamelijk de affectieve aspecten van lezen onder de loep. Ze gaat daarbij dieper in op drie centrale concepten, namelijk leesattitude, leesmotivatie en bekwaamheidsperceptie op het vlak van lezen.
Zowel in onderzoek als in de praktijk is er al behoorlijk veel aandacht gegaan naar de mate waarin leerlingen graag lezen en de samenhang tussen affectieve en cognitieve aspecten van lezen en leesgedrag. Maar hoe dat zit bij leraren werd nog niet systematisch onderzocht. Ook is het onduidelijk of er een samenhang is tussen hoe graag leraren zelf lezen en hun leraargedrag in de klas wat leespromotie betreft.
Vansteelandt maakte gebruik van een mixed methods onderzoeksopzet (een combinatie van kwalitatief en kwantitatief onderzoek en experimenteel design).

Hoe evolueert de leesattitude van leraren in opleiding?
In het eerste grote luik van haar onderzoek, kon ze bij leraren in opleiding drie lezersprofielen van elkaar onderscheiden:
1. een laag-attitudeprofiel
2. een sociaal-georiënteerd profiel
3. een individueel georiënteerd profiel
Deze drie profielen zijn aanwezig van bij de start van de opleiding tot aan het einde. Het is enigszins hoopgevend dat het profiel van de laag-attitude lezers, dat het grootst bleek bij de start van de opleiding, het kleinst is op het einde. 51 tot 62% van de leraren in opleiding blijft doorheen de opleiding in hetzelfde leesattitudeprofiel. Wanneer er toch geswitcht wordt tussen profielen, gebeurt dat gelukkig het minst in de richting van het laag-attitudeprofiel.
Verontrustend echter blijft dat bijna een vierde het lerarenberoep instroomt met een laag-attitudeprofiel. Daarbij komt nog dat deze lagere inschatting op het vlak van leesattitude tijdens beide meetmomenten ook samen bleek te gaan met een lagere leesfrequentie, bekwaamheidsperceptie op het vlak van leesvaardigheid en tegen het einde van de lerarenopleiding ook met de laagste bereidheid tot leespromotie in de toekomstige lespraktijk. Dit alles in tegenstelling tot beide andere profielen.

Naar een professionaliseringsprogramma voor leerkrachten basisonderwijs gericht op promotie van leesmotivatie
In het tweede grote luik van haar onderzoek spitst Vansteelandt zich toe op startende leraren. Na een uitgebreide literatuurstudie opteerde ze ervoor om een professionaliseringsprogramma te ontwikkelen op basis van het door Desimone (2009) vooropgestelde raamwerk dat vertrekt vanuit vijf effectieve kenmerken of ontwerpprincipes: focus op inhoud, actief leren, coherentie, duur en collectieve participatie. Die werden vervolgens – gezien de focus op motivatie en adviezen vanuit de literatuur – uitgebreid met inzichten uit een andere motivatietheorie, namelijk de zelfdeterminatietheorie van Ryan en Deci (2000; 2020). Zo werden ook de behoefte aan autonomie, verbondenheid en competentie opgenomen in het rijtje van ontwerpprincipes.
Het programma werd tot uitvoering gebracht in een groepsconditie (vormingsessies en coaching in groep) en een individuele conditie (een-op-een begeleiding van startende leraren).
Puur op basis van de kwantitatieve analyse zou het niet mogelijk geweest zijn om de impact van het programma aan te tonen. Op basis van de kwalitatieve data-analyse echter, kwam er wel een duidelijk beeld naar voren van de impact.  Het gebruikte mixed-methods design om de impact zo diepgaand mogelijk in kaart te brengen, had dus een grote meerwaarde. Bij de deductieve data-analyse werd duidelijk dat het professionaliseringstraject wel degelijk een impact heeft gehad, die ook negen maanden na het einde van het programma nog duidelijk merkbaar bleef.
Bovendien kon worden aangetoond dat de impact van het professionaliseringstraject zelfs verder ging dan enkel de vooropgestelde impact op de leesmotivatie en bekwaamheidsperceptie. Zo werd duidelijk dat er een veranderingsproces in gang was gezet zoals beschreven in het raamwerk van Desimone. De beginnende leraren deelden veranderingen in leraargedrag op het vlak van leesmotivatiepromotie en wezen ook op veranderingen in de leesmotivatie van hun leerlingen. De inductieve analyse bracht ook verschillen aan het licht tussen de twee condities. Beginnende leraren in de groepsconditie durfden met grotere opdrachten aan de slag en stelden zich bijvoorbeeld kritischer op t.o.v. van het blind volgen wat een handleiding voorschrijft. Beginnende leraren in beide condities wezen op de stimulerende of hinderende rol van de context waarbinnen ze werken.

Vansteelandt pleit in het laatste deel van haar proefschrift o.a. voor meer aandacht voor affectieve aspecten van lezen, meer conceptuele helderheid hieromtrent en vooral ook meer afstemming binnen en tussen de niveaus die inzetten op leesonderwijs en professionalisering. Daarnaast geeft ze aan wat vervolgonderzoek zou kunnen behelzen en benadrukt ze de nood aan professionalisering, zeker ook met oog voor de affectieve aspecten van lezen.

Related Posts